levensbeschouwelijk & persoonlijk april 2018

david rikkers

 

Welke drieëenheid?

In zijn encycliek Caritas in veritate (Liefde in waarheid) nr 54 stelt Paus Benedictus XVI de goddelijke Drieëenheid ten voorbeeld aan menselijke relatievorming. Dat vind ik vreemd en onnodig. Tenzij je vasthoudt aan goddelijke openbaring van gene zijde. Dat lijkt een gepasseerde manier van denken. Wat vroeger aan buitenaards gezag werd toegeschreven blijkt van eigen bodem afkomstig. Heilige boeken zijn geen ingeslagen meteorieten. Die zogenaamde openbaring is zeker blikverwijdend. Maar de conclusies daaruit getrokken als ijkpunt installeren lijkt me wat ver gaan. En waarom? Het fundament is de mens zelf. De Paus schrijft: De wederzijdse transparantie tussen de goddelijke personen is volledig en de onderlinge band volkomen want zij vormen een absolute eenheid en uniciteit. Wat daar op god wordt geprojecteerd kennen we uit menselijke relaties zij het zonder de volkomenheidsfactor waarmee we al eeuwen het goddelijke hebben vormgegeven. God heeft alles wat een mens kan hebben maar dan in verhevigde vorm: hij is almachtig alwetend alziend oneindig. Dat is mooi gezegd en zelfs bruikbaar om gevoelens mee uit te drukken naar het levensgeheim toe maar ongeschikt om mee te redeneren. Wederzijdse transparantie is typisch voor mensen die elkaar liefhebben. Die transparantie is niet volledig of volkomen maar dat zijn typische woorden die we voor het goddelijke hebben bedacht. Om die toegepaste transparantie als voorbeeld terug te krijgen lijkt me nodeloos ingewikkeld. Verder bedoelen de Paus en ik krek hetzelfde. Mensen kunnen elkaar goed de spiegel voorhouden. Zelfs in liefde en waarheid. [jul2010]

 

Van Kempen naar Thomas

Jarenlang koesterde ik het boekje in kerkboek-uitvoering dat mijn moeder in 1947 uit het Retraitehuis van de Redemptoristen in Noordwijkerhout meebracht. Over de Navolging van Christus van Thomas a Kempis uit het Latijn vertaald door de Jezuiet Johan Heesterbeek. Ik begon erin te lezen toen ik ongeveer zeventien jaar was. Het pakte me steeds meer en werd mijn vaste begeleider toen ik negentien was en bevriend met Hein. Samen bespraken we vooral Boek 3 hoofdstuk 42. Op Mij moet de liefde voor uw vriend gegrondvest zijn. Het loslaten van het menselijke om naar god op te gaan. Die radicale keuze liep uit op mijn intrede bij de Benedictijnen. Monniken (eenlingen) die met de neus in dezelfde richting staan en naar boven kijken. Niet helemaal want er werd naast het zingend bidden ook veel werk verstouwd. De groep waar ik me bij aansloot had met eigen handen het klooster opgemetseld. Ook toen ik na negen jaar uit het koorgestoelte stapte bleef mijn oriëntatie gericht op het ongrijpbare. Het opgaan naar god was op mijn twintigste het aantrekkelijkste doel in mijn leven. Die god is in de loop van de jaren van bekend uit de hemel verbleekt naar onbekend op aarde. De christelijke god uit de Joodse bijbel is wetenschappelijk afgepeld tot product van eigen kunnen en staat nog maar als beeld voor het onkenbare. Zover zijn we opgeschoten. We beelden ons god in en hangen er een vraagteken aan. Dezelfde traditie die een beeld van god vormde gaf ons ook door hoe we daarmee om moeten gaan. Dat laatste is sinds de Verlichting verdrongen door een stroming in het denken die van god een harde entiteit maakte. Dat pad blijkt een doodlopende weg. God bewijs je niet maar beleef je. Je wijst hem niet aan maar leeft hem. Het aardse leven waar vroeger vaak moeilijk over werd gedaan krijgt daarmee vleugels. De Bijbel maar ook de Navolging krijgen weer kleur want die gingen juist uit van het be-leven van god. Nieuwe vertalingen die de doelgroep voor ogen hebben ondersteunen dit nieuwe elan. Toen ik 13 juni 2010 voor het eerst het Duitse Kempen bezocht realiseerde ik me nauwelijks dat Thomas a Kempis hier vandaan kwam. Ik was onder de indruk van de rood-wit gekleurde kerk. Hij kwam compleet op me over. Evenwichtig in zijn afmetingen. Maar met zijn omgang en vier kapellen niet in een keer te overzien. Er bleef iets te raden. Een sfeer die me goed deed. Een van opgenomen worden in een groter geheel waar ik bij hoorde. Het gebouw suggereert een gemeenschap die verder reikt dan je kunt kijken. Functionele kerkenbouw mist zo’n perspectief. De Maria Geboortekerk in Kempen heeft het en daar werd Thomas in 1379 gedoopt. De romaanse doopvont staat er nog altijd. Als ik zijn Navolging opnieuw op me in laat werken proef ik evenwicht wat er voor hem van huisuit was. Hij was het wel een poos kwijt want aan het eind van zijn lange leven (hij werd 91jr) schrijft een medebroeder dat hij het in het begin moeilijk had in het klooster. Maar al schrijvend aan de Navolging hervond hij zichzelf in samenspraak met de Bijbel die hij meerdere keren overschreef. Hem werd de zorg voor jonge novicen toevertrouwd. Eeuwen later heb ook ik in het noviciaat veel gehad aan zijn wenken. Ik vond hem Hollands nuchter in tegenstelling tot de Franse Benedictijnen die visioenen in de lucht schreven die bij mij overdreven. En dat kwam niet alleen door de taal. Als uitgangspunt neemt Thomas het vertrouwen op god. Het is tegengesteld aan vertrouwen op eigen kracht. Maar dat vertrouwen op god vind je in jezelf als je het eigen ego niet oppoetst. Daaruit volgt voor hem dat je beter inschikkelijk kunt zijn. Daar word je niet minder van want je bekijkt het als het ware vanaf een hoger plan. Van ruzie wordt niemand beter. Hij houdt niet van geklets. De troost die je daarmee zoekt vind je alleen in je binnenste. Ik ben het nog altijd met hem eens. Ik moest er wel voor naar Kempen om het terug te vinden.[jul2010]

 

Hoe meer hoe minder

Mensen die je vaak te zien krijgt boeten aan nieuwheid in. Ze worden je vertrouwd en je zoekt niet verder naar bijzonderheden. Of je krijgt die door anderen toegeworpen. Meestal negatieve opmerkingen zoal niet roddel. Die kun je beter van je af laten glijden maar het is net kleefkruid. Ergens appeleert het aan sensatiezucht in jou. Als je mensen zo af en toe ziet behouden ze beter de glans van de eerste ontmoeting. Dat is een eenzijdig beeld maar vaak positief. Zeker als het gaat om bijzondere gelegenheden waar ze op af komen. Wie naar de schouwburg stapt komt beter voor de dag dan wie de supermarkt binnenloopt. Met mensen die goed in hun vel zitten is het aangenaam omgaan. Wie problemen om de oren fladderen is gespannen. Dat hebben we allemaal. Als je om mensen geeft wie dan ook zie je veel door de vingers. Zelf waardeer je het ook als anderen jouw onprettig gedrag niet uitlichten. Hoe meer je van iemand weet des te moeilijker het wordt daar niet met het rode potlood doorheen te krassen. Natuurlijk met de beste bedoelingen voor de ander. Maar vreselijk irritant. Daar zit niemand op te wachten. Corrigerende opmerkingen vallen alleen goed in een bedding van warm begrip. Dat veronderstelt vriendschap! Je begint dus beter met het tonen van belangstelling. Wat verbeterd had moeten worden smelt je zo om tot eigenaardigheden. Aardige trekjes van iemand! Hoe meer trekjes je waarneemt des te aardiger hij of zij wordt! De frisheid die we van buiten verliezen wordt zo van binnen teruggewonnen. Hoe meer we aan de weet komen hoe minder het ons stoort. [jul2010

 

God en overgave

Thomas van Kempen schreef het met grote stelligheid op in zijn Navolging van Christus. En Mink de Vries hertaalde het tot God wil dat wij ons volledig aan Hem overgeven en dat wij door het vuur van onze liefde tot meer in staat zijn dan we ooit hadden kunnen denken. Zolang ik er een versleten godsbeeld achter voel schud ik van nee. Realiseer ik me dat we met z’n allen zwemmen in de realiteit van een groter verband waarbij ons bestaan wegzinkt dan knik ik instemmend. In onze tijd rollen frisse vertalingen van oud werk van de band. Met instemming lees ik de Navolging in zijn nieuwe jasje. Toch mis ik fundamentele doordenking naar onze tijd. Wetenschappelijk blijven de auteurs hangen in de tijd van toen (die ze knap ontrafelen). Het is moeilijk omdat het onvoldoende geprobeerd is. Ik blijf er achteraan jagen en bespeur aanzetten in het verleden. Bij Thomas maar belangrijker in de Bijbel waarheen steeds verwezen wordt. Het beeld van een aarde die door een hemelse heer wordt bestuurd verwaait. Daarvoor in de plaats groeit het inzicht van wat Jezus noemde een rijk van god op aarde. Ook dat roept misverstanden op. Rijk of heerschappij doet denken aan een supermacht. Dat is het nu juist niet! Denk eerder aan een overheersend besef. Een overtuiging die veld wint. Onze taal is doortrokken van krijgshaftige beelden! Een inzicht dat menszijn meer is dan de toevallige aanwezigheid van intelligente wezens in een uithoek van het heelal. Die minimale opvatting is kortzichtig en aanmatigend. Ze schaadt bovenal ons denken en doen. We stoten dan voortdurend tegen ons eigen plafond. Het aardige van ons bewustzijn is dat we onze beperkingen kunnen ontstijgen. We kunnen pas voluit leven als we vooruit kunnen. De sterfelijkheid dwarsboomt dit streven. We zoeken een uitweg. Dat hebben mensen altijd gedaan wat resulteerde in een rijk boeket aan bewegingen dat geloof introduceerde om het leven door te laten lopen. Geloof is een bekend begrip. We hanteren het voortdurend. Je gelooft iemand en dan kun je verder. Je hoeft iemand niet eerst door en door te kennen voor je met hem of haar in zee gaat. Geloof is overgave. Je toevertrouwen aan een ander in de verwachting dat het goed komt. Geloof in het geheim van het leven werkt net zo.[jul2010]

Jeesjoea

Aan Jeesjoea ligt het niet dat zijn levensles slecht wordt begrepen. Vanaf het begin is de profeet uit Nazaret in een religieuze setting de wereld rondgedragen. Niet als voorbeeld waar je wat mee kunt maar als een goddelijke held waar je naar op mag kijken. Dat is jammer maar niet anders. We kunnen dankbaar zijn dat zijn boodschap ons heeft bereikt! De vorm is in onze moderne ogen wat verwrongen. Maar de kern is er nog uit te halen. Het is flink pellen want de boodschap is ingekaderd in een opvoedsysteem. Niet dat het slecht is maar het verduistert wat uniek was aan Jeesjoea. De Jeesjoea van het geloof is de hemelse heer. Die staat ver verwijderd van de rondtrekkende rabbi. Jeesjoea was er voor zijn volksgenoten de Joden. Zelfs aan zijn buren de Samaritanen had hij geen boodschap. Hij ging weldoende rond (Handelingen 10,38). Dat is simpel en daardoor bijzonder. Even vergeten wat er van hem verteld wordt en kijken naar hoe hij was. Hij ging weldoende rond. Hij was wat hij zei. Dat sprak mensen aan. Hij legde de kern van godsdienstigheid bloot. Je toevertouwen aan het grote geheim in het leven wat hij verkleinde tot zijn abba zijn pappie. Voor hem was dat een gepaste vorm wat hij doorgaf. Zo kun je bidden: pappie hierboven jouw naam is onuitsprekelijk jouw invloed onbeperkt in alles wat hier gebeurt en daarboven. Dat is naïef voorgesteld. Zo hoef je niet te bidden in de 21ste eeuw. Om Jeesjoea serieus te nemen moet je juist letterlijk niet doen wat hij deed. In zijn geest verdergaan daar komt het op aan. Dat blijft even dwars als zijn kritiek op de (joodse) priesters van zijn tijd. Christenen lopen teveel aan de leiband van hun voorgangers (priesters en ongewijde leiders). De oppositie van Hans Küng tegen Paus en Curie verbleekt bij de stevige kritiek die Jeesjoea op hen zou hebben. Hij zou zich eerder herkennen in basisgroepen die mensen bij mekaar proberen te houden. Maar ook hen zou hij niet sparen waar ze weinig inzicht tonen in veranderde tijden en omstandigheden. Het is als in de astronomie. Als je vasthoudt dat de zon in Pisces beweegt terwijl hij intussen naar Aquarius is opgeschoven. Dat de Concilievaders (1962-1965) zich lieten leiden door het oorspronkelijke concept van de liturgie was een sprong vooruit na eeuwenlange stilstand sinds de Reformatie. Maar die inspanning (in latere jaren deels teruggedraaid) bleef ver achter bij wat eigenlijk had moeten gebeuren: een nieuwe doordenking van het christelijk geloof aan de hand van gewonnen inzichten. Dan zou het aggiornamento een werkelijke update zijn geweest. Het ontbrak en ontbreekt aan echte kerkvaders. De kerkcrisis van vandaag is die van bijna-stilstand in de leer. Die leidt tot vreemde standpunten over waarheid (ten koste van andersdenkende gelovigen) over menselijke seksualiteit (voorbehoedsmiddelen abortus euthanasie stamcelonderzoek) over afgeleiden daarvan (gelijke behandeling mannen en vrouwen priestercelibaat). Belangrijk is dat ieder zich bezint op zijn geloof zonder zich te laten insnoeren door regeltjes uit een ver verleden. Van onderop moet de verbeeldingskracht weer op gang komen in de gemeenschap van gelovenden en de pauselijke muur slechten. [jul2010]

 

Willibrordsdag

Het wilde maar niet lukken er een mooi feest van te maken voor mezelf. Zat het te dicht op Allerheiligen-Allerzielen wat een eigen karakter had met visioenen? Op 6-7 november kwam St Willibrord niet goed uit de verf. De zangboeken vermeldden het feest niet eens. Want Willibrordus had geen geen feeststatus voor de hele kerk. Alleen ons land (en Luxemburg veronderstel ik: hij stierf 7 november 739 in Echternach). Op losse velletjes waren misgezangen bij elkaar gesprokkeld waarnaar verwezen werd. Lastig dat geblader. Pas op zijn twaalfde eeuwfeest had Paus Pius XII hem in 1939 tot patroon van Nederland opgewaardeerd. Een vrij jong feest. Het Aartsbisdom Utrecht had speciaal iets met Willibrord als eerste bisschop van de stad. En Slangenburg de Benedictijnse Stichting droeg zijn naam: Sint Willibrordsmunster later St Willibrordusabdij. Dat was te merken aan de Getijden waarvoor wel nieuwe gregoriaanse gezangen waren gecomponeerd. Ook een oude gregoriaanse Sequentie was uitgetypt onder vier balkjes met losse noten bestrooid. Vespers en Lauden hadden eigen antifonen iets wat alleen de hoogste feesten kenden. De toonzetter in de Eerste Vesper paste goed in het kale najaar: Als een volle maan door nevels van ongeloof verscheen de zalige Willibrord als een fakkel van hemelse genade. In volgende antifonen werd gememoreerd dat hij als monnik van 33 jaar de opdracht van abt Egbertus in Ierland met elan aanpakte en overstak om in onze streken het goede nieuws over christus uit te dragen. Buiten de grens rondgaan (peregrinatio) heette dat. Daarvoor moest je ondernemend zijn en avontuurlijk ingesteld. Wilibrord beantwoordde aan dat profiel. En de groep jonge monniken die naar Slangenburg werd uitgestuurd herkende zich steeds meer in hun Patroon. Het kasteel bood geen geschikt onderkomen aan monniken. Ze moesten met eigen handen een flink end uit de buurt steen voor steen iets nieuws opbouwen. Naast het koorgebed schoot weinig tijd over voor studie en beschouwing. Ze moesten metselen en kruien vier lange jaren. Ruim een jaar na de inwijding trad ik in. Klaar om geestelijk bijgespijkerd te worden. Want niemand komt blank binnen. Een rustige rijpingstijd werd me gelaten. Aan het eind trad ik uit. Dat had vooral te maken met het veranderde klimaat in de kerk. Niet om rond te gaan en uit te dragen had ik de beslotenheid (=klooster) gezocht maar om in de diepte van mezelf en de geschiedenis de oorsprong van mijn leven te zoeken. En zo vanuit die serene zoektocht goed te zijn voor anderen. In dat proces viel Willibrordsdag wat uit de toon. De officieteksten spraken veel over onderwerping van barbaarse heidenen door onze held Willibrord. Ik ergerde me al aan de zinsnede in de Regel (van Benedictus) dat monniken in militaire dienst treden van christus de koning en het wapen van de gehoorzaamheid inzetten om iets van hun leven te maken. Dat wapengekletter beviel me niet. Kritisch commentaar op de beschermheilige vernam ik niet tijdens mijn opleiding. De monniken van Solesmes waren via hun stichter Dom Gueranger trouwens zelf ook met de neus in de richting van Rome gedraaid zoals Willibrord dat van huisuit ook deed. Ik was volgzaam maar onderhuids kriebelde het ongenoegen. Het feest wortelde niet naar inhoud en miste schoonheid. Dat laatste hadden de vier winterparels Cecilia (22nov) Lucia (13dec) Agnes (21jan) Agatha (5feb). Het ontbrak ze aan historische betrouwbaarheid deze vier martelaressen uit de oudheid. Maar ze grepen je dieper aan. Schoonheid in de overgave van jonge vrouwen verklankt door zuivere noten. Op Willibrordsdag overheerste het triomfalisme van een onderdrukker. Willibrord vernielde wat anderen het dierbaarst was en zocht steun bij machthebbers: Paus en Pepijn. Dat was me nog niet exact bekend maar ervaarde ik al wel. Op het Janskerkhof in Utrecht torent Willibrord als ruiter boven de meute uit. Hij mag van zijn paard afkomen.[mrt2012]

 

Deze webpagina wordt begin feb apr jun aug okt dec ververst

Oude stukjes v.a. 2004 zijn opvraagbaar abba@davidrikkers.nl