levensbeschouwelijk & persoonlijk juni 2018

david rikkers

 

Icoon

We gebruiken vaak iconen om onszelf op te krikken. In de Kerk is dat al eeuwen gebruik. Niet alleen in het oosten waar de afbeeldingen op een speciale manier op hout worden geschilderd. Ook de gesneden of gehouwen sculpturen in het westen vallen er onder. Het gaat om overleden personen die als blijvend voorbeeld en aanroeppunt levendig worden gehouden. Martelaren leraren mensen die voorbeeldig hebben geleefd. Buiten het religieuze kader vinden we ook zoiets maar dan meestal van bekende kunstenaars die aanhang trekken: de idolen. Loop je een kerkgebouw van enige allure binnen dan vind je alle drie de soorten: oosterse iconen westerse beelden en moderne posters met gebarende pausen en lachende prelaten. Het zijn versteende momentopnamen van mensen. In het oosten wordt daarin een goddelijke glimp gezien. De evangelist Lucas schreef zo beeldend dat hem de schilderkunst is toegedicht en hij Maria geportretteerd zou hebben. Maar Lucas kent Jezus uit onderzoek. Wel is er de traditie dat een platte icoon (in het oosten als enige toegestaan) terug moet gaan op een oermodel waarin trekken van levende personen zijn vastgelegd. Kunstenaars zijn gebonden aan die strenge regels. God zien door het venster van een icoon is mogelijk omdat gods zoon mens werd. Zo is de gedachte. Het westen is vrij in zijn vormgeving. In beide opvattingen gaat het om afbeeldingen van mensen als springplank naar de kern van jezelf. Die kern is het meest eigen contactpunt met het goddelijke waar je vanuit kunt gaan. Dichterbij kun je niet komen. Vanuit jezelf kun je ervaren wat jezelf bent in het geheel van de kosmos. Iconen helpen je daarbij. Ook sacrale ruimten werken als afbeeldingen van het ongekende. Toen mijn dochter Rachel jaren geleden mijn oude abdij bezocht vroeg ze mij verbijsterd: abba hoe heb je hier ooit weg kunnen gaan? Die vraag begrijp ik vanuit het effect wat ruimte en stilte op haar hadden. Het was voor mij een bevestiging dat het beste wat je als mens nodig hebt de stilte is. Daar kom je jezelf tegen in de tegenvallende facetten maar vooral toch in de opbouwende kanten. Om de Kempenaar Thomas na te zeggen: Nergens vind je zoveel rust en vrede dan op je eigen kamer (I 20).[jul2010]

 

Wat is een naam?

What is in a name is de bekende vraag van Sheakspeare. In een naam klinkt meer mee dan de benoeming van iets of iemand. Een naam krijg je mee bij je geboorte. Je eigen naam en je familienaam. Daarmee moet je het doen. Sommigen hebben er moeite mee en in het ergste geval kun je het laten veranderen. Aan de vorm van de voornaam wordt drukker gesleuteld. Theodora (godsgeschenk) komt van Dorothea (geschenk van god) en wordt afgekort tot Theda Thea Feodora Dora Dorine Doretta Dory Dorita Dorinne Doortje Door of verliefkoosd tot Doosje of Dosje. In al die vormen blijft de naamsbetekenis behouden. Maar vaak wordt de naam niet om zijn betekenis maar om de vernoeming aan iemand toegekend. Meer als een vriendelijke geste naar de vernoemde persoon dan als een voorbeeld voor het kind. Namen met een opdracht werken soms wel maar vaak ook niet. Veel mensen zijn blij met hun naam. Ze hebben zich ermee vereenzelvigd. Anderen schurken tegen hun naam aan en wijzigen de vorm zo vaak ze kunnen. Adriana zie je veranderen van Adrie in Ad en Adje. Zolang de lading hetzelfde blijft heeft het weinig zin onder een andere vlag te varen. In bijbelse tijden werden namen geladen met een toegesneden betekenis. Soms lijkt het alsof de naam achteraf is gegeven. Jeesjoea: hij die redt. Maar Jeesjoea was een algemeen voorkomende naam. De naam van Abram wordt in het verhaal veranderd in Abraham en Sarai in Sara. Uit het scheppingsverhaal horen we dat de adam (mens) opdracht krijgt alles te benoemen. Je benoemt wat je kent. Een pasgeborene wordt in zijn naam gekend en erkend. De naam is je eerste persoonsbewijs. [jul2010]

 

Kwaad in jezelf

Oorlogssituaties en experimenten hebben het aangetoond. Wij mensen zijn onder bepaalde omstandigheden tot kwaad in staat. We roepen het zelf op. Dat geldt ook voor het goede. Mensen kiezen individueel maar nog meer collectief. De vrijheid die we massaal hebben omarmd vraagt ook om piketpaaltjes. Tot zover en niet verder. Dat niet alleen voor het verkeer op straat. In de omgang met elkaar zijn grenzen nodig. De media en vooral het internet zijn nog teveel vrijplaatsen voor onderdrukking en geweld. Het kwaad in jezelf laten oproepen moet ingedamd worden. Weldenkende mensen doen dat. De massa gaat makkelijk in de fout. Dat zie je om je heen. Grof taalgebruik (onderscheiden van pittige taal) effent de weg naar geweld. Religie heeft van ouds een morele standaard gehanteerd. De overheid deed na het wegvallen van de zuilen soms aarzelend een voorzet in moreel gedrag (normen en waarden). Een kentering in alles kan en mag bespeur je alom. Meer veiligheid buitenshuis en minder omslachtigheid in regels wordt luider gehoord. Groepen individuen moeten van bovenaf geholpen worden om tot hun recht te komen. Maar elk individu zal eigen huis schoon moeten vegen. Beide aanpakken en niet op elkaar wachten. Goed en kwaad zitten beide in je. Jij kunt wat doen aan het scheppen van een goed klimaat. Ook tegen de stroom in. Winst is er tenminste voor jezelf. Kwaad kan verergeren als steeds meer mensen zich laten gaan. Maar goed kan ook toenemen als jij vasthoudt aan het goede doen. [jul2010]

 

Armoede vorm van eenzaamheid

In zijn encycliek Caritas in veritate van 2009 schetst Paus Benedictus XVI de eenzaamheid als een vorm van armoede. Terecht want we kunnen niet zonder gemeenzaamheid. De exploderende interactie van mensen over de hele wereld laat geen keuze om zich in te spannen tot een goed vergelijk met elkaar te komen als een familie. Een mens realiseert zichzelf in relatie tot anderen. De gemeenschap mag het individu niet absorberen en het individu moet zich niet afsluiten van anderen. Benedictus XVI fundeert deze visie vanuit zijn openbaringsgeloof in de drieëne god. Voor moderne oren wat merkwaardig. Omdat dit dogma altijd weerstand heeft opgeroepen en hij toch alle mensen wil bereiken. Maar filosofisch zit er wat in. De drie goddelijke personen zijn zuiver relatie waardoor ze volkomen een zijn. Mensen zijn dat niet. Ze zouden zich moeten spiegelen aan deze goddelijke eenheid in verscheidenheid. Wie daar gevoelig voor is kan er iets mee. De meesten zal dit ontgaan. Dat is niet erg. Je kunt het ook anders funderen. In de mens zelf. En die mens mag je zien als beeld van het levensgeheim desnoods in drieëenheid. Aan dat beeld kun je je spiegelen. Het fundament ligt in onszelf. Wij hebben elkaar nodig van begin tot eind. Daar kun je tegen in gaan en zoveel mogelijk je eigen zin doen maar dan val je uit de toon en leun je op een wankele sokkel. Sterk sta je omringd door anderen. Dit natuurlijke gegeven kun je omhelzen en uitbaten. Je krijgt er veel voor terug. Menselijke genegenheid in blik en gebaar zelfs in woord. Het laat je vaak een dag goed doorkomen. Je leven wordt er rijk van.[jul2010]

 

Wat is geboden?

In de Eerste brief van Johannes wordt duidelijk gemaakt wat het betekent de geboden onderhouden. Je denkt dan al gauw aan de Tien geboden. Ontleend aan de Joodse bijbel en bekend als de Tien Woorden. Ze staan vermeld in Exodus 20 en Deuteronomium 5 en 34 en luiden in het kort: 1. Ik ben de god die jullie uit de slavernij van Egypte heb geleid. 2. Je mag geen andere goden voor mij plaatsen. 3. Je mag mijn naam niet onnodig gebruiken. 4. Denk erom dat je de rustdag apart zet. 5. Eer vader en moeder. 6. Je mag niet moorden. 7. Je mag de echt niet breken. 8. Je mag niet stelen. 9. Je mag niet vals getuigen tegen je naaste. 10. Je mag niets begeren dat van je naaste is. Het christendom nam ze over. De islam kent ze niet. In de westerse wetgeving zijn ze verweven. Ze werden vroeger gezien als natuurwet die opgegaan is in de mensenrechten. Het zijn de richtlijnen waar je je als mens aan moet houden willen we geen chaos krijgen. Johannes schrijft dat geboden onderhouden betekent god en de ander liefhebben. Die twee vallen samen want je kunt god niet liefhebben zonder de ander lief te hebben. En god liefhebben kun je alleen maar omdat god jou als eerste heeft liefgehad. Dat blijkt volgens Johannes uit de dood van de messias de ware zoon van god. Die redenering vraagt om uitleg. Traditioneel zijn de evangelies gelezen als uitvloeisel van het lijdensverhaal van Jezus. Dat was meer dan de executie van een voorbeeldig man. Het had te maken met ieder van ons. Precies dat universele aspect is tegelijk weer ingedamd door de snelle verbreiding van het christendom op de vleugels van het Romeinse Rijk. Jezus werd uitgeroepen tot god. Hij bleek de zoon van de eeuwige. Jezus is ook te zien als prototype voor alle mensen. En christenen als kwartiermakers om in zijn geest te leven. Wat is er dan geboden? De ander lief te hebben als jezelf en daarin het levensgeheim nabij te komen. Johannes schrijft Wie in de liefde blijft is in god en god in hem. Dan doe je alles goed. Plaats je je buiten dat gebod dan ook buiten god. [jul2010]

 

Christus en christenen

In het boekje Rome en Reformatie wisselden de theologen Willem Ouweneel en Gerard de Korte welwillend hun verdeelde standpunten (protestant en katholiek) uit. Beide stromingen van kerkzijn benadrukken de navolging van christus. Jezus de zoon van god is het onbetwiste middelpunt. Wil daar niet aan morrelen wel openbreken. Doe je dat niet dan blijf je steken in oude tegenstellingen van schriftverstaan en controverse met de wetenschap. In de christelijke kerk is vanaf het begin het ongekende geheim van het leven in menselijke gestalte binnengehaald. De Joodse profeet uit Nazaret wordt na zijn dood opgehemeld aan de rechterhand van het geheim door Jezus zelf met vader (abba) aangeduid. Als zoon van die vader is hij sindsdien behandeld. Dat is heel fysiek begrepen wat het gewoon niet kan zijn. Versta me goed: ik zou christus de heer niet willen missen. Hij is beeld van het geheim. Beeld van god en voorbeeld voor ons. Voorbeeld wat navolging verdient. Christenen hoeven niet christus te aanbidden maar in hun leven christus gestalte te geven. Het vroege christendom wist het al: een christen is een andere christus. En we hoeven ons niet te beperken tot de schrift. We ontwikkelen verder. De parabel van de talenten heb ik nooit geweldig gevonden. Wie slagen in de onderneming? Die al veel talenten bezitten. De man met de ene talent verstopt hem in de grond. Heb een variant gemaakt op de vergelijking. De man met slechts een talent doet dubbel zijn best en die met twee talenten is lui. Bij de afrekening hebben beide evenveel maar de eerste is beter af want hij heeft er wat voor gedaan. Je leven slaagt niet door je bagage maar door je inzet. [aug2010]

 

Geen zweem van heiligheid

Het valt me een beetje tegen als ik de Abdijkroniek van Slangenburg doorneem. De instelling van de monniken in de beginjaren van de stichting toen ze nog op het Kasteel het monastieke leven vorm gaven. Ze waren vurig want het was een jonge groep waarvan de meesten onder de veertig. Geschoold in de Paulusabdij van Oosterhout door de broers Jean en Pierre de Puniet. Fransen die het ideaal van Gueranger de stichter van de Petrusabdij van Solesmes uitdroegen aan de gretige Nederlanders. Kinderen van hun tijd met een sterke afkeer van wat Paus Pius IX had veroordeeld als het Modernisme. Prosper Gueranger een jonge wereldheer had een kloosterruïne in Solesmes opgekocht en was daar met vijf medestanders begonnen een type kloosterleven te restaureren volgens de Regel van Benedictus van Nursia naar het voorbeeld van het middeleeuwse Cluny. Met een luisterrijke liturgie helemaal afgestemd op Rome. Dat was een straffe strijd tegen het gangbare Gallicanisme in Frankrijk dat de lokale kerk bevorderde. Pius IX steunde uiteraard Gueranger. In dat klimaat werden de Nederlandse monniken gevormd. Dat proefde ik toen ik in 1953 intrad op Slangenburg en ruik ik in 2012 nu ik de Kroniek napluis. In 1946 toen ik de Lagere school verliet en een seminarie-opleiding ging volgen was het Willibrordsmunster in de Slangenburgse bossen amper van de grond gekomen. Mijn ideaal was priester worden. Liturgie sprak me daarbij het sterkst aan. Daarin klopte het hart van de kerk voelde ik. Met eerbied celebreren. Wie dat kon was voor mij geslaagd als priester. Beeldend dacht ik aan bijbelse tafrelen. Aäron die offers opdroeg. David die voor de Ark uit danste. Zacharias die bezoek kreeg in het Heilige der heiligen van een engel. De jonge Samuel die sliep in het heiligdom. Dat monterde me op als toekomstvisioen. Via het gregoriaans wat op de wijze van Solesmes werd gezongen kwam ik op afstand in aanraking met monniken. Mijn deftige uitstraling (ik kwam uit Den Haag) gaf me de bijnaam benedictijn lang voor ik erover piekerde over te stappen. Tegelijkertijd probeerde op Slangenburg de kleine kudde de grandeur van het moederklooster Oosterhout te benaderen. In de liturgie en in de studie. Maar de handen moesten uit de mouwen want de Wederopbouw verhinderde de opbouw van een contemplatief klooster. Ze moesten alles zelf doen. Toen ze na vier jaar uitgebouwd waren en een jaartje wat op adem gekomen klopte ik aan de kloosterpoort. Thuis had ik gefantaseerd over de geestelijke kwaliteiten van de monniken. Dat moest wel met zovelen in een gebouw. Het viel koud tegen. Maar liet dat niet blijken. Ik deed het wel in mijn eentje! Drie jaar werd ik volgepropt met geestelijk voedsel wat ik opsloeg maar niet verteerde. Gelukkig kon een van de monniken me uit dit corset helpen. Kwam tot mezelf wat nauwelijks verschilde van mijn oorspronkelijke ambitie. Kwam gevleugeld uit de cocon. Besef naarmate de jaren zich stapelen dat heiligheid bij mij hoort. En niet standaard aan een instituut of gemeenschap. Heilig (apart gezet) is geen onderscheiding voor verdiensten maar een gegeven waar je iets mee kunt doen. Ik zet me in voor mensen zonder te letten op me zelf of hinderlijke belangen. [feb2012]

 

Bernadette

Ze kwam net uit Lourdes maar door de commercie trof ze daar niet meer aan wat haar vroeger ontroerde. De eenvoud van het verhaal. Een arm astmatisch kind van veertien jaar dat iets ziet in de grot van Massabielle. Ben er nooit geweest maar had al vroeg iets met Lourdes. Voor mijn eerste communie vroeg ik een beeldje met de bekende afbeelding van Maria. Toen ik negen jaar werd vroeg ik een leesboekje met de geschiedenis van OLVrouw van Lourdes door H van Uitert gedrukt op het RK Jongensweeshuis in Tilburg. Met tekeningen naar oorspronkelijke foto’s. Herkende iets van mijn eigen familie. Mijn zachte moeder en steviger oudste tante Sjaan. Mijn moeder hield me voor dat ik me later als brancardier kon opgeven om een ziekentransport naar Lourdes te begeleiden. Dat had Antoon van Sjaan gewild als de oorlog niet was uitgebroken. Het is nooit gebeurd omdat ik toen op het seminarie zat. Het beeldje verhuisde mee naar de slaapcel van het seminarie. Op 2 januari 1948 zag ik in het Haagse Capitoltheater de verbluffende film The Song of Bernadette waarvan ik later het boek van Franz Werfel Das Lied von Bernadette in Nederlandse vertaling doornam. Een hele kluif voor een kleine lezer. Maar dit wou ik per se gelezen hebben. De taal trok me. En het afscheid van de molenaarszoon die een oogje had op Bernadette toen die zich in het klooster verborg. Nog duister voor mezelf weifelde ik jarenlang tussen beide: mijn liefde voor het goddelijk geheim en menselijke warmte. In mijn vriendschap met Hein koos ik net als hij voor onze roeping maar met 29 jaar ging ik ronduit voor een vrouw in mijn leven. Dat is gebleven maar de hang naar het levensgeheim ook. In het schrijven beleef ik veel indirect en hoef ik het niet altijd ook fysiek mee te maken. Vandaar mijn behoefte om Het leven van Bernadette door René Laurentin uit 1979 aan te schaffen en De brieven van Bernadette uit Lourdes en Nevers uit 2008. Maar een Lourdesreis hoeft niet. Daar komt iets anders bij. Mijn afkeer van een Kerk die stug blijft uitgaan van haar mythische grondslag. Die brengt nieuwe geheimzinnigheid voort. Bernadette gaf zelf op het eind van haar korte leven (zij werd 35 jaar) aan: Het is al ver heel ver weg al die dingen. Ik kan het me niet meer herinneren. Ik spreek er niet zo graag over want mijn god als ik me vergist heb! Terechte angst. De eindeloze kritische ondervragingen hadden Bernadette murw gebeukt. Maar ze hield boers vast aan haar eigen beleving: het was goed wat ze had meegemaakt daar bij de grot. Eind negentiende eeuw spande het tussen geloof en wetenschap. Het ging om meer dan het gelijk van een nauwelijks geletterde jonge vrouw. Het ging om de waarachtigheid van de Kerk. Het instituut is altijd belangrijker dan het individu. Iets waar Jezus het al niet mee eens was. Hij werd uit de weg geruimd maar zijn boodschap van oprechte liefde voor elkaar is niet te stoppen. Bernadette bleef trouw aan haar visioen wat ze als goddelijk goed had ervaren. De inkleding is zoals met het evangelie gebeurde belangrijker gevonden dan de inhoud. Dat leidde tot onnodige speculaties en aantrekkelijke promotie van het geloof. Ik hou me aan Bernadette neergeknield voor haar geheim van de grot. Het beeldje van mijn jonge jeugd heb ik via omzwervingen terug. Het lijkt van geen kanten op wat Bernadette zag maar het refereert aan de grot.[jun2012]

Deze webpagina wordt begin feb apr jun aug okt dec ververst

Oude stukjes v.a. 2004 zijn opvraagbaar abba@davidrikkers.nl