levensbeschouwelijk & persoonlijk februari 2018

david rikkers

 

Natuur als gegeven

Het pakte me bij het doorlezen van de Rondschrijfbrief van Benedictus XVI over Liefde in waarachtigheid (2009) dat de natuur geschonken levensruimte wordt genoemd. Bijbels gedacht is dat klaar als een klontje. Daarbuiten niet. Ik zou de twee benaderingen in elkaar willen schuiven. De materiële en de spirituele. Mensen geven aanleiding tot zulke geestelijke opvattingen. We zijn scheppers. Wij maken wat niet voorhanden is en zijn in staat materie te ontleden. Mensen hebben altijd wat te doen en te denken. Die notie is al vroeg onderkend en weggeschreven naar een instantie van wie we dat vermogen hebben gekregen. Of dat feitelijk ook het geval is laten we hier rusten. Het leven wordt ons geschonken. Door onze ouders. Zo is ook de natuur ontstaan door materiële processen. Verder kunnen we niet kijken. Toch ervaren we ons leven als meer dan celdeling. Ons bewustzijn is niet tevreden met een oorzaak-gevolgverklaring. We reiken verder maar dat is een wijkende horizon. Dat verleidt sommigen het op de tenen lopen op te geven. Die conclusie lijkt niet wijs en nogal aanmatigend. We weten niet hoe het zit. Het in bescheidenheid openlaten is daarom meer in overeenstemming met onze situatie. Van daaruit is de gedachte dat de natuur gegeven is niet verkeerd. Je kunt er iets mee en het houdt je tegen de natuur uit te buiten. De natuur kan tegen een stootje. Maar we moeten het niet te gek maken zoals we sinds de Club van Rome (1968) weten. Het is altijd een keuze tussen onze hebzucht en ons mededogen. Religies hebben daar al vroeg oog voor gehad juist omdat ze een punt buiten de kosmos creëerden. Wij hebben daar moeite mee. Maar hebben toch behoefte aan een plausibel uitgangspunt voor ons handelen. Die is er in onszelf en spoort met de traditionele opvattingen. [jun2010]

 

Uitgebouwd

Als je op het Internet de afbeeldingen van honderden kerkgebouwen op je in laat werken dringt de gedachte op dat mensen hun houvast zoeken in tastbare objecten. Dat is gewoon menselijk. Rationele pogingen om deze verstoffelijking terug te snoeien zoals de Reformatie deed verliezen uiteindelijk toch terrein. Ik moest hieraan denken na het beleven van de Mariakerk in Kempen net over de Duitse grens bij Venlo. Een opvallende verschijning in het Kempenerland waar de toren met zwarte spits en roodwit gesausde baksteen van alle kanten zichtbaar is. Toen ik het gebouw betrad omhulde mij een gevoel van vertrouwdheid. Een droomkerk. Een traditioneel Hoogaltaar in de hoekige absis met daarachter een omgang. Dat laatste heb ik altijd als intiem ervaren. Ik liep er dan ook meteen door. Achter het altaar kijken. Wat in de Haagse Marthakerk maar krap kon. Hier lag een breed wandelpad. In de kapel van het Nijmeegse Albertinum was de omloop omwald door uitgebouwde altaarnissen. De kerk herbergt nog drie rijk gesneden retabels achterstukken van altaren. De Kempenaren noemde het hoogaltaar kozend het poppetjesaltaar. Ik heb daar minder oog voor dan voor de sfeer die het oproept. Niet de individuele figuren maar de functie die ze vervullen in het geheel. Allen staan ze gericht op dat ene: god in zijn menselijke verschijningsvorm Jezus. Hij wordt fysiek aanwezig geacht in het bewaarde brood achter de gouden deuren van het tabernakel. Of getoond in de monstrans. Nevenaccenten zijn de afbeeldingen van de Moedergods de brengster van al dat heil. Voor de volledigheid zijn ook Goddevader en de Heiligegeest hoog in het gebouw verwerkt. Het roept een geestelijke realiteit naar voren waarin het aardse leven een bescheiden plekje had. Een voorbije tijd. De meest geestelijke leider weet dat niet een spiritueel ideaal maar de materiële werkelijkheid het denken van mensen beheerst. Daar worden ideeën op afgevuurd. Om kwaliteit te verbeteren of tegengestelde opvattingen omver te stoten. De christelijke en andere religies proberen hun stempel te drukken op de gevoerde politiek om iets van het menselijke door te laten dringen in het rationele bedrijf van machtsuitoefening. Al worden steeds meer gebouwen afgebroken uitgebouwd is de kerk nog lang niet. Er valt nog heel wat te bouwen onder mensen. [jun2010]

 

Tijdgebonden

Loop je door middeleeuwse kerken dan zie je vertrouwde elementen in een vreemde samenhang. Het is de tijdsgeest die in de kunstwerken neersloeg. Altaren biechtstoelen kansels kunnen we nog wel plaatsen. Duivels die je uit alle hoeken bespringen naast gruwelijke executies van martelaren hoeven voor ons niet in een gebouw dat tot rust uitnodigt. De meer dan levensgrote Christus aan het kruis mag van ons ook wel wat minder. Vaak blijft het niet bij die ene. Talloze crucifixen duiken op. Niet omdat wij beschaafder zijn hebben we daar niets mee. Het Journaal staat bol van wreedheden en zinloos geweld. Maar we weten het nou wel. In de oude kerken diende de uitstalling een ander doel. Het harde bestaan werd er in een zinvolle samenhang gebracht. Christus had het kwaad overwonnen. De duivel was er nog wel maar kon in bedwang gehouden worden door je te enten op Christus. Daardoor stroomde genade jouw leven binnen. Door het doopsel werd je op die goddelijke bron aangesloten. Wij denken anders. De fysieke inschakeling van de hemel als je hulp nodig hebt zien wij als een nutteloze exercitie. Zoiets regel je met anderen samen. Pas als die mogelijkheden zijn uitgeput neigen sommige mensen ertoe god in te schakelen. Meer met de gedachte dan heb ik alles gedaan wat ik kon. Eigenlijk is het een restant uit vroeger tijd toen materieel nog maar weinig mogelijk was. Intussen trok de ene epidemie na de ander over de wereld en dunde de bevolking drastisch uit. Nu doet een tsunami of vulkaanuitbarsting hetzelfde in dichtbevolkte gebieden maar kan er op internationale hulp gerekend worden. Voor steeds meer religieus ingestelde mensen daagt het dat onze omstandigheden het evangelie moeten kleuren. Als het christendom een antwoord wil zijn voor mensen van deze tijd zullen de beginselen omgezet moeten worden waaruit de vormgeving voortkomt. De vernieuwing van het laatste Concilie (1962-1965) versoberde en liet volkstaal toe in de eredienst. Daardoor bracht ze niet de vernieuwing waar naar werd uitgekeken. Vanuit de onveranderde moederkoek liet de reactie niet lang op zich wachten. Aan eigentijdse interpretatie ontbreekt het. Er wordt vastgehouden aan tijdgebonden elementen zoals middeleeuwse kerken laten zien. We hoeven ons niet in te leven in vervlogen tijden. We hebben genoeg aan de eigen tijd die om antwoord vraagt. Wat is ons antwoord op armoede haat? De regel kennen we: gun een ander wat je jezelf gunt. Nu toepassen in het klein en in het groot. [jun2010]

 

Van aangezicht tot aangezicht

Je hoort mensen nog wel eens zeggen dat ze hopen in de hemel met hun geliefden verenigd te worden. Als je dat concreet probeert voor te stellen stap je op drijfzand. Zoals met alle geloofsartikelen. Toch is het geen onzin. Mensen geven aan wat hun diepste verlangen is en dat heeft met liefde te maken. Het gevoel van liefde in al zijn vormen heeft iets onvoorwaardelijks. Liefde wikt en weegt niet en er komt geen berekening bij te pas. Betaalde liefde is dan ook geen liefde maar een uitlaat. Liefde leid je onweerstaanbaar naar de ander. De ander is het einddoel. Het verlangen met geliefden verenigd te worden drukt uit wat je het liefste wil. Ook als die ander deze wereld heeft verlaten. In die lijn wordt het begrijpelijk dat god als einddoel wordt aangevoeld en god met liefde wordt gelijkgesteld. Het bereiken van de ander geeft rust en vrede. Zo dragen we overledenen de eeuwige rust binnen. Gelovig gezien zijn ze naar god vertrokken. Daar wéét niemand natuurlijk iets van. Maar zo vóelt het voor velen wel. En dat gevoel bedriegt niet. Je verstand valt stil in confrontatie met de dood. Je gevoel blijft want liefde laat zich niet onderschoffelen. De vereniging met het levensgeheim laat zich moeilijk denken. Daarom klampen mensen zich vast aan wat ze wel kennen: de geliefden die ontvallen zijn. Die ons voorgingen in dit leven houden we bij ons. Het is een schamele troost. Maar het is niet anders en daar leggen we ons bij neer. In afwachting van méér zoals Paulus formuleerde: Nu zien wij een wirwar van knopen maar straks van aangezicht tot aangezicht (1Korinthiërs 13,12). Het is een oudbijbelse overtuiging dat niemand in dit leven god kan zien. Het verlangen van de liefde naar een einddoel laat ons uitzien naar een ontmoeting. Niet van een handvol geliefden uit het aardse leven. Maar naar een ontmoeting met onze oorsprong. Van aangezicht tot aangezicht. In zo’n ontmoeting weten we kom je pas tot inzicht. In het gezicht van de ander ontdek je god in en aan jezelf. [jun2010]

 

De ander voor ogen

Hoe we ons gedragen heeft altijd invloed. Ofwel op een ander of op de omgeving waarin we leven. Daarin is door de vlucht die de techniek heeft genomen veel veranderd. Minder afhankelijk van elkaar is de individualisering sterk toegenomen. Waar dat in het klein gebeurt is er bij te stellen. Als de autonomie tussen staten toeneemt krijgen we een moeilijker verhaal. De globalisering leidt tot samenwerking maar ook tot frontvorming. De neiging tot eigen volk eerst is groot en wordt steeds onbeschaamder toegepast. Toch is het geen verloren strijd. De mens zelf draagt het vermogen in zich uit te zien naar de ander. Dat is zijn bestemming ongeacht welke ideologie wordt aangehangen. Ideologieën zijn meestal een struikelblok voor ontmoetingen tussen mensen van verschillende cultuur en huidskleur. Bij onbevangenheid worden overeenkomsten eerder opgemerkt. De ander in de ogen kijken opent de eigen geest en brengt mensen tot elkaar. Niet om zich aan elkaar te verrijken maar om met elkaar op te trekken. Het pessimisme over globalisering is overdreven als het uitgangspunt zuiver is. Angst voor wat vreemd is maakt de vreemdeling tot bedreiging. De reële bedreiging door groepen in de samenleving verdraagt geen laksheid. Die twee aan elkaar koppelen doet de meerderheid van de nieuwkomers onrecht. Maar aan alle groei is een eind. Een internationale verdeelsleutel lijkt billijk. [jun2010]

 

Liefde voor de vijand

Liefde wordt vaak geclaimd door het christendom. Maar het oude gebod van de Joden luidde al: heb god lief en de naaste als jezelf (Deuteronomium 6,5 Leviticus 19,18 Marcus 12,28-33). Nieuw was het liefhebben van vijanden (Matteüs 5,43-48). Jezus was een vrije geest en kon van binnenuit zijn standpunt bepalen los van wat gebruikelijk was. Zijn innerlijk kreeg vorm in woorden als leven waarheid licht. In de oudheid is dat gedacht in een godsfiguur buiten het ons kenbaar bestaande. Maar die godsfiguur zit in de mens zelf. Jezus ervaarde dat van binnen en wij komen daar nu ook achter. We hoeven er het heelal niet op af te snuffelen. Het verbergt zich diep in onze geest. Jezus haalde het naar boven en raadde het anderen ook aan. Zijn abba is ook de onze. En als je het anders wil formuleren kan dat. Het gaat om dezelfde werkelijkheid waar we geen adequate woorden voor hebben omdat het onkenbaar maar wel invoelbaar is. In de exacte wereld waarin we leven moet je je verstand gebruiken. Maar er is meer dan dat. We lopen met het hoofd in de wolken. We vóelen dat er meer is. We weten het niet. Wat we voelen is in de loop van de tijd op velerlei wijzen vorm gegeven. De grote religieuze en filosofische stromingen zorgden daarvoor. Ze zijn zelf weer bundelingen van wat individuen dachten en bedachten. Bij dat bedenken was ook de gedachte dat vijandigheid niets oplost. Vriendschap wel. Zo waste de onderstroom om vijanden tot vriend te maken. Dat is roeien tegen de stroom op. De natuurlijke afkeer van de vijand omzetten in toeneiging. Dit heeft grote uitwerking op wie het doet. Of het de vijand ook tot andere gedachten brengt mag je hopen. Het is een eenzijdige onderneming die een doorbraak kan opleveren. [mei2011]

 

Verliefd in Kempener kerk

De geschiedenis herhaalt zich. Toen ik zondag 13juni 2010 voor het eerst in het Duitse Kempen samen met Emmy binnenreed wist ik nog niet dat het plaatsje met zijn Mariae Geburtskirche me helemaal zou inpalmen. Ik kwam er binnen zoals ik in de Haagse Marthakerk mijn eerste verliefdheid opliep. Dat gevoel viel op me. Ben nuchter genoeg om daar geen hocuspocus achter te zoeken. Maar het voelde goed. Het was een frisse dag 17gr. Om 13:15 rijdt de Renault Twingo Kempen binnen waar we gunstig gratis kunnen parkeren. Foto’s gemaakt en ijs gegeten van Eis Brüstolon op de Buttermarkt. Altstadtwandlung met Emmy en strijken neer in Et Kemp’sche Huus en korte tijd later in Café Peerbooms. De Marienkirche is open. Een heel bijzondere kerk waarvan ik een boekje koop en de suppoost aanspreek. Jubel er Gloria XV de gregoriaanse versie van de bijbelse engelenzang. De volgende dag lees ik op mijn gemak het boekje van de Kempener Propsteikirche. De kerk die mijn hart heeft gestolen. Ik weet niet goed wat het is. Toen ik acht jaar was had ik dezelfde ervaring en benoemde dit later als een verliefdheid op de sfeer die er in de kerk hing. Niet in elke kerk. De Haagse Martha had het. Een verliefdheid die ik met god in verband bracht maar ik zie nu in dat dat een brug te ver is. Zo ver reiken onze ervaringen niet. Ervaringen die ik in een veel later stadium van mijn leven met vrouwen had. Tenslotte ook mysterieus. Gelijk het geheim waarachter geen inkijkje mogelijk is. Het geheimzinnige van vrouwen (en mannen) heeft met het leven te maken. Zij maken nieuw leven zoals alle levensvormen zich voortplanten. Dit verborgene heeft mensen altijd verwonderd en er de wonderlijkste voorstellingen bij gemaakt. God zou de ziel instorten en zo het leven geven. Het wonder zit in mensen zelf. Zij scheppen nieuw leven. Dat geheel eigene van ouders zag ik als kind verhevigd in de kerk terug. Onttrokken aan het bevattingsvermogen van een kind gebeurde daar in de kerk hetzelfde op ander plan. Beide hulden zich in geheimzinnigheid. Ik wentelde me in dit welgevallen. In de kerk was het nog een graadje sterker. Als kleuter van 4 jaar liep ik aan de hand van mijn vader wekelijks naar de Hoogmis. Nooit was het me teveel. Nog voor ik kon lezen kreeg ik een kerkboekje met veel tekeningen zodat ik de priester kon volgen aan het altaar. We schoven in de twee laatste banken van de kerk waar de steuntrekkers zaten die geen plaatsengeld hoefden te betalen. Al dat gedoe met collecteschalen en lange zwarte stokken waaraan een zakje met belletje die onder je neus werden gestoken tot ver na de consecratie stoorde me al vroeg. Het fijne van de kerk scheen de meesten te ontgaan kreeg ik al gauw door. En werd bevestigd op mijn eerste communiedag (26 mei1940). Mijn moeder had het confectiepakje van C&A thuis woest uit elkaar gegooid en de komende dagen weer in elkaar gezet voorzien van de nodige plukken watten want ik was zo scheef als de Hamtoren bij Vleuten. Ik doorstond die beproeving als een sacrale gebeurtenis. Mijn moeder die al mijn kleren naaide en nu voor zo iets belangrijks als een eerste communie zich uit de naad werkte. Ik kon haar in de namiddag dan ook toevertrouwen dat ik heel erg gelukkig was. Dat in schril contrast tot mijn ooms en tantes van vaders kant die zich terugtrokken in blauwe sigarenwolken en oorlogspraat. Alléén met vader had deze meer begrip voor wat zich in mijn hoofd voordeed. Ik had dus iets heel speciaals met de kerk en maakte dat toen ik 8 jaar was kenbaar met de mededeling dat ik later priester wilde worden. Vader probeerde mijn bevlogenheid met nuchterheid binnen de perken te houden. Hij wees op het lange en vele leren wat priesters moesten. Maar dat bracht me niet van de wijs. En moeder stimuleerde me indirect door te zeggen dat wat ik nu nog niet kon later van zelf zou gaan. De studie kon ik aan maar mijn instelling veranderde. Eigenlijk door het loskomen uit de benauwde neurotische sfeer waarin ik leefde en wat door het kloosterklimaat werd gevoed. Ik moest daarmee breken wilde het met mij nog goed komen. Dat was mijn overtuiging toen ik in 1962 uittrad bij de Benedictijnen van Slangenburg. Buiten die beschutting lukte dat beter met behoud van het wezenlijke van die wonderlijke leefwijze. Daarin heeft de tijd me gelijk gegeven. Het leven was voor mij geen vlekkeloos genoegen. Op het punt van persoonlijke gevoelens ontving ik veel warmte maar ondervond ook narigheid. Tegelijkertijd ontwikkelde mijn denken over god en religie dermate dat ik uit hoofde daarvan me niet meer bij een geloofsgemeenschap thuis zou voelen. Wel bij mensen! Dat ervaarde ik daar in Kempen. Niet de Kempenaren die op de altaarstukken van de kerk stonden afgebeeld. Maar de echte mensen van vandaag die de kerk als museum bezochten. Op verzoek van de suppoost mocht ik voor hen het Salve Regina zingen. De koorbanken en de gewelven resoneerden mee wat ze al eeuwen hadden gedaan. Voor mij was het een erkenning van de weg die ik gegaan was. Geen erkenning van bevoegde instanties. Die hadden in 1963 laten weten dat er geen plek terug was. Drie jaar later nog eens bevestigd. Bij lagere overheden heb ik wel alle materiele steun gekregen. Daar ben ik niet knorrig om. Dankbaarheid overheerst. De draad door mijn leven heb ik vast gehouden en die omvat dienstbaarheid door je plaats te kennen in navolging van de verhalen over Jeesjoea [jul2016]

Deze webpagina wordt begin feb apr jun aug okt dec ververst

Oude stukjes v.a. 2004 zijn opvraagbaar abba@davidrikkers.nl